terug

Hoge druk: Peter Stigter

Peter Stigter (47), mondiaal toptien catwalkfotograaf uit Tilburg, is eindelijk van zijn minderwaardigheidscomplex af. Dankzij de blindengeleidehond bloeit zijn creativiteit als nooit tevoren.
Zwartgerande brillen, zwarte kleding.
“Klinkt als modewereld. De top ervan heeft sektarische trekjes. Topmodellen en -ontwerpers zijn geneigd zichzelf erg serieus te nemen. De modellen gaan maar drie, vier jaar mee. Ik zag in bijna 25 jaar heel wat generaties voorbij komen.”
Kent u die neiging zelf ook?
“Designerkleding op zich heeft voor mij persoonlijk geen waarde. Dat creëert een prettige afstand. Het maakt mij een scherpere observator. Een sportverslaggever moet geen supporter zijn.”
U ontvangt mij met zwarte bril, zwart overhemd, zwarte broek.
“In zoverre conformeer ik me. Alsof ik erbij hoor. Ik ben natuurlijk geen buitenstaander meer.”
Kameleontisch gedrag.
“Niet opvallen is fijn. Fotografen lopen altijd in donkere kleding. Alleen al omdat lichte kan reflecteren. Modeshows ontwikkelden zich van happening tot hoogstaande studioshoots met publiek. Met een roze bloesje val je wel erg uit de toon. De organisatie zou je vragen het uit te trekken.”
“De kern op de catwalk is dat je, anders dan in de studio, geen foto kunt overdoen. Het is live, er ligt hoge druk op, je mag niets missen. Dat is tegelijkertijd het verslavende. Ik doe ook commerciële dingen. Maak lookbooks, verkoopboekjes met complete collecties van een merk. In de studio maak je met twee modellen op een dag 35 sets. Een modeshow duurt tussen de acht en tien minuten. Doen we 45 outfits. Die staan er bij mij allemaal perfect op.”

Zo veel zo snel!
“Een modeshow is over voordat je het weet. Daarna champagne. Niet voor mij: ik drink niet tijdens het werk. Het is te intensief om even lekker door te zakken. Je werkt vaak twintig uur per etmaal.”
Een show duurt toch maar tien minuten?
“We doen, in één rush, er wel tien, twaalf per dag, verspreid door een hele stad. En dat, non-stop, vier steden op een rij, bij elkaar in een week of zes. New York, Milaan, Parijs, Amsterdam, dat is wereldwijd op elkaar afgestemd.”
Nog even: op uw website zag ik u met een kleurige hoofddoek. Toch een verzachtende omstandigheid voor al dat zwart.
“Een bandana. Heb ik altijd om op de catwalk. Tegen zweet in mijn ogen. Toen ik hem een keer afliet vanwege de hitte, vroegen mensen die me zochten: doe alsjeblieft om, we kunnen je niet meer vinden. Er zitten tussen die zevenhonderd mensen veel van mijn klanten, modeontwerpers en media. Dus is het handig herkenbaar te zijn.”
Zo werkt u voor Viktor en Rolf.
“Ja. Hoewel Nederland niet in hun blikveld zit. Ligt vlak voor hun voeten, stappen ze overheen. Ze werken internationaal. Ik werk voor krap dertig modeontwerpers, wat meer mediaklanten. Onder de ontwerpers zitten zo’n zeven buitenlandse klanten, mediaklanten ongeveer fiftyfifty.”
Doe eens aan wat namedropping.
“Het Franse modehuis Rochas, G-Star. De Los Angeles Times, Toronto Star, Fashionmagazine, zijn grote klanten. Elle, Glamour. Nederland is niet interessant voor de grote modewereld. Een knuppel van een Chinese krant is belangrijker vanwege zijn zestig miljoen lezers dan de Volkskrant. Internationale media verschaffen mij een goede accreditatie.”
Een LA Times heeft toch genoeg mensen rondlopen?
“De krantenwereld kraakt in z’n voegen. Vroeger stuurden ze er twee eigen fotografen op uit. Fat ass, dure hotels. Nu huren ze professionals in. Die terugloop is ook voor mij een probleem. Het verdienmodel via het belangrijke internet, waar klanten mijn werk kunnen bestellen, heb ik nog niet ontdekt. Kranten willen hun materiaal snel hebben.”
Waarom gebruikt u bij zoveel foto’s geen filmcamera?
“Ik gebruik zelfs geen motordrive. De window waarin ik moet schieten, is vijf milliseconde. Ik sta gewoon in single. Krap vier beelden per seconde. Met motordrive bepaalt de camera het beeld. Krijg je alleen rotzooi. Het komt echt op die vijf milliseconde aan voor de perfecte foto van dat lopende model.”
De werkwijze is ook veranderd.
“Vroeger stonden we rondom de catwalk, met een korte lens. Nu staan we allemaal achterin, met telelenzen. Soms met wel vier-, vijfhonderd man, zoals bij een show van Chanel. Eigenlijk ondoenlijk. Er is wereldwijd een groepje puur professionele catwalkfotografen. Ik ben de enige Nederlander. Internationaal doe ik alleen de belangrijkste shows, wat niet noodzakelijkerwijs de grootste zijn. In Nederland doe ik ook de Amsterdam Fashion Week.”
Accepteren media het als u voor concurrenten werkt?
“In Nederland werk ik als enige zowel voor de Volkskrant als De Telegraaf. Door specialisatie, snelheid, kwaliteit, weten wat ze willen. Een groot deel van die kennis heb ik wél opgebouwd via mijn vrouw, moderedactrice Jetty Ferwerda. Ik krijg nu alle credits maar ik ben lang haar aanhangsel geweest. Nu is het andersom. Wij moeten er altijd erg om lachen, samen. Dankzij haar kwam ik in het vak terecht.”

Want u hebt een andere vooropleiding.
“Ik was voorbestemd, had me althans voorgenomen, een wereldberoemd industrieel ontwerper te worden.”
Dat was niet bij pa en ma in de zaak.
“Nee. Hoewel ik als beroepsmilitair bij de marine zeven jaar elektromonteur was, net als mijn vader. Ik kom uit een arbeidersgezin, Achterhoek. Kijk ik terug, dan zie ik in mezelf een geboren creatieveling. Dat kreeg ik helemáál niet mee van mijn ouders, die zelf uit boerenfamilies kwamen. Hard werken, eerlijk zijn, goed zijn, stond bovenaan. Creativiteit kwam niet voor in hun vocabulaire.”
U bent een buitenbeentje geworden.
“Was ik altijd al. Nu paradepaardje, toen zwart schaap, in beide gevallen een buitenbeentje dus. Elektrotechniek was voor mij een doodlopende straat. Toen kwam die creativiteit in mij tot explosie. Ik wilde naar de Design Academy in Eindhoven, waar mijn jongste broer al studeerde. Maakte hij nooit af, werkt nu bij de Bijenkorf. Ik deed beeldhouwen, houtbewerking. Dat had iets van het ambachtelijke van mijn ouders.
Creativiteit ligt dicht tegen het ambachtelijke aan. Het is meer een menselijke eigenschap dan dat het verbonden is met een creatief vak. Voor de renaissance waren kunstenaars ambachtslieden. Ik noem mezelf ambachtsman. Iedereen kan zich wel kunstenaar noemen. Ik vind het een elitaire titel, heb er serieus problemen mee. Het moet niet over het ego en de persoon gaan, maar over je werk. Als een ander dat kunstzinnig noemt, laat ik dat aan hem. Ik vind het pretentieus het van mezelf te zeggen.”