terug

Foto’s prikkelen meer dan tekst: Jan Banning

Jan Banning (55) houdt, als een moslim op Mekka, de blik veelvuldig gericht op het Verre Zuidoosten. De parallelle tentoonstellingen ‘Troostmeisjes’ in de Kunsthal in Rotterdam en ‘Sporen van oorlog’ over dwangarbeiders aan de Birmaspoorlijn in Fotogalerie Rotterdam, vanaf 23 april, zijn er de indringende getuigenissen van. Maar denk niet dat Banning de rest van de wereld vergeet.

Hoe bepalend zijn uw genen voor uw onderwerpen?

“De vraag is dan: wat zit er in die genen. Dat weet ik niet zo goed. Formeel zijn het witte.”

Ik zie het er niet aan af.

“Het Indische verleden van mijn ouders is wel bepalend voor mijn onderwerpkeuze. Zij zijn daar geboren en getogen uit witte ouders, als er tenminste niet met de genealogie gesjoemeld is. Na de oorlog kwamen ze naar Nederland, waar ik in het allerminst Indische Almelo ben geboren. Mijn studiekeuze voor geschiedenis was er een gevolg van. Je wilt je eigen levensverhaal construeren. Ontdek je dan verbanden, of breng je ze aan? Ik neig naar het laatste.”

Wanneer was u voor het eerst in Indonesië?

“Als beroepsfotograaf in 1987. In 1990 maakte ik er een cultuurboek over, voor Teleac. Mijn vader, textieltechnicus, werd na zijn pensionering vrijwilliger-ontwikkelingswerker in Indonesië, waar hij mij uitnodigde. Sindsdien ben ik er een vijftien keer geweest. Ik maakte boeken, series en reportages in Vietnam, Cambodja, Birma, de Molukken. Uit de geschiedenis van mijn ouders kwam uiteindelijk ‘Sporen van oorlog’ voort. Vader en grootvader werkten beiden als dwangarbeider aan de Birmaspoorlijn. Het Troostmeisjesproject is de vrouwelijke pendant ervan. Het gaat ook over dwangarbeid, maar dan seksuele.”

In ‘Troostmeisjes’ hebt u geen blanke vrouwen.

“Klopt. Op het geheel, geschat op enkele tienduizenden tot tweehonderdduizend, waren er maar weinig: tussen twee- en vierhonderd. De enkelen die ik vond, wilden of konden niet praten. Dat had het gezien de getalsverhoudingen bovendien uit z’n verband getrokken.”

Uw fascinaties liggen op het vlak van de wereldpolitiek.

“Ja. In Nederland heb ik klusjes gedaan, maar het grotere werk heeft meer met ‘de wereld’ te maken. Voor Sporen van oorlog heb ik wel Nederlandse dwangarbeiders van de Birma- en Pakanbaroespoorlijn gefotografeerd. En ik heb me beziggehouden met migratie van en naar Nederland, zoals van een Moluks gezin in ‘Pulang’. Zij waren in zekere zin lotgenoten van mijn ouders, die feitelijk niet re- maar emigreerden naar Nederland. Ik zoek altijd de persoonlijke benadering van maatschappelijke kwesties. Zo had mijn boek ‘Vietnam. Doi Moi’, te maken met mijn eigen maatschappelijke bewustwording ten tijde van de Vietnamoorlog, als scholier al. Ik grijp terug op zulke basisfascinaties. Primair oriënteer ik me dus niet op Nederland.”

Behalve dan dat ene uitstapje dat de lezer niet kent, doordat het niet op de markt is.

“Het boek over de verbouwing van het Rijksmuseum, ‘Bouwwerk’. Zulke opdrachten doe ik graag, ja. Maar als je goed kijkt is dat ook een migratieboek. Dit nationaal cultuurmonument bij uitstek wordt verbouwd door een scala van nationaliteiten: Duitsers, Polen, Surinamers, Serviërs, een Portugees, een Chileen, Marokkanen en Turken uiteraard.”

“Daarnaast stel ik nu via de fotografie de Nederlandse identiteit ter discussie. Ik maak migrantenversies van Nederlandse kunsticonen: een Marokkaans ‘Brief lezend meisje bij het venster’ van Vermeer, Rembrandts Jan Six wordt een Turk. Ik speel met het internationaliseren van nationale symbolen. De tijd van Vermeer en Rembrandt was door de vluchtelingentoevloed van hugenoten en joden minstens zo multicultureel als deze.”

In die zin is uw werk een antwoord op Wilders’ gedachtegoed.

“Die Hollandse iconen wil ik wel op zo’n manier gebruiken. Niet ter verdediging van de islam. Wel om het bestrijden van discriminatie. De vanzelfsprekendheden van nationale identiteiten wil ik ter discussie stellen.”

Uw tentoonstelling Troostmeisjes is een voorbeeld van rassendiscriminatie.

“Toch werden aanvankelijk ook Japanse meisjes gebruikt. De kwestie was dat bij eerdere veldtochten tot een derde van het Japanse leger werd geveld door geslachtsziekten. Dat moest dus anders. Het bijzondere is dat hoog in het Japanse staatsapparaat tot zulke bordelen werd besloten. Elders gebeurde het minder officieel.”

Is het vergelijkbaar met de Holocaust, in zijn systematische aanpak?

“Nee. Dat was een ideologische zaak, dit een praktische. Om de verliezen te beperken, kwamen er bordelen met een arts, verplicht condoomgebruik. Bijkomend was dat verkrachtingen tot een hoop gedonder met de plaatselijke bevolking leidden. Wat ook weer mankracht kostte. Later werden die bordelen gevuld met vrouwen van de volkeren waarmee men oorlog voerde. Zo komen de Indische meisjes in zicht.”

Er zijn meer projecten die het Verre Zuidoosten overstijgen.

“Veel zelfs. Zoals ‘Het gezicht van de armoede’ uit Malawi. Daar kon ik duidelijk maken hoe alledaagse armoede eruit ziet. Dus niet als uitvloeisel van natuurrampen, burgeroorlogen, maar het jaar in jaar uit in armoede leven. Er kwam een tentoonstelling in De Kunsthal. Als boek verscheen het onder de titel ‘Binnen is het donker, buiten is het licht’.”

En ‘Bureaucratics’?

“Dat vloeide voort uit de verschrikkelijkste opdracht die ik ooit kreeg. Ik kon in Mozambique fotograferen bij een verhaal over decentralisatie van bestuur. Graag, vanwege mijn fascinatie voor langetermijngevolgen van oorlogen. Mozambique had vijftien jaar burgeroorlog achter zich. Maar het onderwerp vond ik maar niks. Dus ben ik eens gaan kijken naar die ambtenaren, een beroepsgroep waar je je het liefst verre van houdt. Gaandeweg drong zich een voor mij interessant thema op: hoe worden wij als burgers geconfronteerd met staatsmacht? Via de uitvoerende macht, de ambtenarij dus. Na Mozambique ging ik eerst naar India. Toen de hele wereld over. Het project dreef me weg van de praktische journalistiek, tot dan toe mijn broodheer. Mijn inkomsten komen nu meer uit verhuur van tentoonstellingen, verkoop van prints.”