terug

Echte vrouwen: Marc Lagrange

Het is de kunst van en met vrouwen kunstwerken te maken. Het is de kunst daarbij niet vulgair te worden, niet uit te glijden op het gladde ijs van de erotiek. Over de kunst van Marc Lagrange.
Marc Lagrange woont en werkt in Antwerpen. Een voormalig fabriekje tussen en achter de woonhuizen is omgebouwd tot studio, een hoge ruimte met mooi invallend licht. Eén wand dient als expositiewand en is bedekt met grootformaat foto’s. Door de plaatsing van twee enorme achtergronddoeken, adembenemend mooi beschilderd door de decorateur van de Opéra in Brussel, zijn twee sets gecreëerd.
De sfeer in de foto’s van Lagrange is onmiskenbaar aanwezig in de ruimte, de zetels en banken, de totale ambiance. Op alle foto’s staan vrouwen: blanke vrouwen, zwarte vrouwen, alleen of in een groep, min of meer gekleed of bijna naakt, in zwart-wit of in kleur. Serieus, ingetogen, in zichzelf gekeerd, sensueel, uitdagend, met gevoel voor humor gegroepeerd, foto’s als een filmstill, portretten. Vrouwen met zorg gekleed, met gratie en juwelen, met schoonheid, zonder twijfel gefotografeerd door Marc Lagrange.
De fascinatie voor fotografie begint bij veel fotografen al jong. Lagrange is daar geen uitzondering op. Ook hij fotografeerde al op zijn 12e, maar de stap naar fotografie als beroep heeft hij pas veel later gemaakt, pas na zijn 27ste. Voordien heeft Lagrange het advies van zijn ouders gevolgd, heeft hij gestudeerd en gewerkt als ingenieur.
“In mijn vrije tijd fotografeerde ik taferelen die ik op straat tegenkwam, een beetje naar het voorbeeld van Henry Cartier-Bresson.” De eerste foto’s waren modelfoto’s voor tijdschriften en voor commerciële opdrachten

Ziet u zichzelf als commerciële of als kunstfotograaf?
“Pure modefotografie is wat ik vroeger deed. Daar heb ik nu geen zin meer in. Mode moet veel sneller. Je hebt veel minder tijd om op de details in te gaan. Zo’n productie moet toch ongeveer acht beelden opleveren. Als ik nu voor tijdschriften werk of modeproducties doe, dan moet ik wel de ruimte krijgen. Het moet wel de Lagrange-stijl worden. Ik doe al drie jaar geen producties meer. Alleen als het om een topper gaat, is het nog interessant. Het moet een win-winsituatie zijn. Tussen kunstfotografie en commerciële fotografie is technisch geen verschil. Voor mij niet. Maar qua uitstraling wel.
Ik probeer nu beelden te maken waar ik zelf achter sta. Wel maak ik regelmatig shoots van privépersonen, mensen die mij benaderen om mijn stijl. Het is opvallend dat het vaak vrouwen van rond de veertig zijn. Om die reden ga ik nu een boek maken van en over vrouwen van die leeftijd: ‘Fourty Women’, veertig vrouwen van veertig.
En ik ben bezig met een project over donkere vrouwen, maar dat zal nog even duren. Er is inmiddels een aantal boeken van mij uitgekomen: ‘Chateau Lagrange’, ‘Lust’ en ‘Polarized’. Binnenkort verschijnt het boek ’20 jaar Marc Lagrange’.
Voor Polarized heb ik alle opnamen geschoten op zwart-wit 8×10 inch Polaroid. Daar ben ik mee blijven werken, ik ben bij mijn 8×10 inch camera lenzen gaan zoeken van zo’n dertig of veertig jaar geleden. Daar zitten van die prachtige imperfecties in. Je hoeft er alleen soms wat meer zwarting aan te geven en klaar zijn ze.
Tijdens de opname fotografeer ik wel digitaal om te bekijken of alles is zoals ik het wil hebben, maar ik maak de uiteindelijke foto in één opname, one-shot-photography. Dat geldt ook voor de opnamen voor de andere boeken en al het overige werk. Daarbij fotografeer ik op film, op 8×10 inch vlakfilm; niets kan tippen aan film.”
Met name de foto’s met meer dan één persoon hebben een sterk cinematografisch karakter. Komt dat voort uit uw belangstelling voor film of heeft dat een andere herkomst?
“De laatste vijf jaar ben ik steeds complexer gaan werken. Ik heb een soort bibliotheek in mijn hoofd. Foto’s uit kranten en tijdschriften, maar ook uit fotoboeken sla ik op in mijn hoofd. Maar nu ben ik samen met mijn assistent ook bezig de beelden die me boeien op te slaan in een database.
In mijn hoofd ben ik altijdbezig met een paar projecten tegelijk, soms wel vier of vijf. Ga ik aan een project beginnen, dan heb ik dat visueel in mijn hoofd. Ik maak wel moodboards voor een goede briefing, die ik overigens wel allemaal zelf doe. Ik overleg met mijn agent voor de juiste modellen, soms zie ik wel tachtig mensen op een dag. Toch werk ik ook veel met modellen die ik al langer ken. Zij begrijpen beter wat ik wil en er ontstaat gemakkelijker de juiste sfeer die ik zoek in mijn foto’s. Ik ben hier de regisseur, ik regisseer mijn modellen.

Voor ‘Snowwhite’ heb ik gebruikgemaakt van mannelijke modellen. Het zijn mannen uit mijn vrienden- en kennissenkring, van wie ik vond dat zij de juiste uitstraling hadden. Als model heb ik een volslanke vrouw gekozen, ik wilde vlees zien. Je ziet eerst die mannen, dan pas die vrouw op tafel. Het dessert wordt net opgediend. Voor deze opnamen werk ik op de set met twee of drie assistenten.
Bij het fotograferen van een vrouw alleen, werk ik vaak alleen met de visagiste en met Saskia. Mijn vrouw Saskia Dekkers is styliste. Zij maakt ook alle sieraden en bijvoorbeeld de korsetten. En ik werk voor de kostuums samen met jonge modeontwerpers, zoals Romain Brau. Die bel ik dan op en hij maakt voor mij wat ik wil. Alles is belangrijk, het moet kloppen tot in de kleinste details.
Dat cinematografische zit hem niet alleen in de opbouw, maar ook in het licht. Ik heb grote bewondering voor filmmakers als David Lynch en Wong Kar-Wai en natuurlijk Fellini, met die prachtige gezichten met die lange neuzen. Mijn mensen zijn nog te mooi in vergelijking met Fellini.
Bij Wong Kar-Wai vind ik vooral het licht en de kleuren fascinerend; bij David Lynch bewonder ik de mystiek in zijn werk. In mijn opnamen maak ik – als het nodig is – gebruik van langere sluitertijden om het licht te laten uitdijen. Je moet het licht laten inkomen, dat kan toch het beste met film.”