terug

Documentair fotograaf: Carl De Keyzer

Carl De Keyzer (52), Magnum-fotograaf uit Gent, exposeert op het internationale festival BredaPhoto werk uit ‘Trinity’ en uit zijn nieuwe project ‘Moments before the flood’. Zijn expositie ‘Congo (belge)’ loopt nog in Groningen. Nooit zal de filosoof onder de fotografen over één nacht ijs gaan.
Op uw foto’s staat alles wat erop moet staan.
“Toch laat ik meer weg dan ik laat zien. Maar als kijker zie je inderdaad alles wat ik wil dat je ziet. Dat komt doordat ik, zonder in detail te gaan, zonder close-ups, portretten, zonder gekunstelde technieken kortom, gewoon de situatie toon. En dan is het toch nog indrukwekkend, onheilspellend, surrealistisch, vervreemdend. Als iemand mij het compliment zou maken dat je alleen door te kijken het onderscheid ziet, is dat een mooi compliment.”
Dat hebt u dan net van mij gehad.
“Mijn grote voorbeeld is ‘American Prospects’ uit 1987 van Joel Sternfeld. Wel specifieke situaties, geen opgelegde stijl. Zo krijgt hij zijn verhaal. Bij mij is dat ook zo. Het mooiste kenmerk van een goeie fotograaf is kunnen zien wat hij denkt over de situatie. Dat elementje is heel belangrijk.”
Zonder opdringerig te zijn.
“Zonder mensen bij de leiband te nemen. In mijn boek ‘God Inc.’ over religieuze sekten in Amerika deed ik dat nog iets te dwingend, overdreven ironisch of sarcastisch: kijk eens, wat een knoeiboel hier. Ik raakte in zo’n negatieve spiraal dat dat in mijn foto’s te zien was. Maar de geportretteerden vonden het schitterend. De Ku Klux Klan vroeg me zelfs mijn foto’s voor hun pamfletten te mogen gebruiken.”
Wat u natuurlijk welwillend hebt toegestaan.
“Ik mag graag de leeuw in zijn hol aanvallen, maar dat ging me te ver.”
Weerspiegelt uw levens-, uw grondhouding, zich in deze werkwijze?
“In mijn inmiddels tien driejaarlijkse boeken zit een rode draad. Maar de grootste rode draad ben ik zelf. In de opeenvolging van die boeken zie je dat.
Als het niet zo zou zijn, was ik allang gestopt. Het is een soort zelftherapie. Ik doe het allang niet meer voor de eer of het geld. Ik wil mezelf constant bewijzen. Ik reis niet graag, zit het liefst thuis. Maar ergens in mij zit een kaboutertje dat mij telkens weer dwingt tot domme dingen, die ik puur als persoon te gevaarlijk, te grootschalig, te moeilijk zou vinden.”
Zoals?
“Een boek over Congo. Of acht maanden gevangeniskampen in Siberië. Voor een miljoen zou ik het nog niet doen. Maar dat innerlijke stemmetje zegt toch: je moet zorgen voor genoeg foto’s om het volledige verhaal te vertellen. Dat gebeurt een beetje buiten mijn wil om.”
Siberië, dat tot ‘Zona’ leidde, was wel een heel uniek project.
“De meeste van mijn projecten zijn niet herhaalbaar. De kracht ervan is de grootschaligheid en wat ervoor nodig is ze tot een goed einde te brengen. Wereldwijd zijn er niet velen gek genoeg voor. Dus ja, ik moet goed gek zijn.”
Ooit is dat vlammetje gaan wakkeren. U studeerde eerst diergeneeskunde.
“Ik kom uit een beschermd milieu, had latijn gevolgd op een conservatief katholiek college, had een hond. Dus ik schreef me in voor diergeneeskunde. Geen idee dat ik fotograaf zou worden. Dat was een hobby. Ik wou voetballer worden, was bijna prof. De overgang naar de kunstacademie veroorzaakte een enorme schok. Daar studeerde ik psychologie, filosofie, kunst, geschiedenis, hedendaagse muziek, met een kritische benadering. Alles wat ik op dat college had geleerd, bleek ineens pure leugen, eenzijdige godsdienstige propaganda. Mijn hele carrière is een correctie op die scholing geworden, met al mijn latere boeken over macht, oorlog, politiek, het gevangeniswezen, nu het kolonialisme.”
Bent u een maatschappijhervormer, een schoolmeester?
“Een klein vingertje, af en toe. Nee, geen Nederlands vingertje. Dat is mijn stijl niet. In mijn katholieke opvoeding verbergen we liever alles onder de mantel der liefde, zoals nu weer met die pedofilie.”
Erotiek speelt in uw werk geen rol.
“Ik heb wat naaktfoto’s gemaakt, nooit gepubliceerd. Personen zijn meestal toevallig aanwezige figuranten. Ik benader moeilijk mensen, ben sociaal niet goed onderlegd. Ik probeer met mijn fotografie te zeggen wat ik verbaal niet goed kwijt kan. Het gaat nooit om mensen zelf. Ze zijn inwisselbaar.”
Bij u bespeur ik een meer intellectuele insteek. Denken en kijken samen leidt tot de helderheid van uw foto’s.
“Ik beschouw me niet als intellectueel, gebruik wel al mijn capaciteiten op dat gebied, probeer altijd een nieuwe visie, benadering te formuleren waar iedereen ten onrechte meent alles al te weten.”

Anderen zoeken eerder een niche om in uit te blinken. Uw rode draad lijkt eerder boosheid in al uw thema’s.
“Ik ben soms heel boos. Per project zoek ik een nieuwe stijl. Het is niet een trucje van dertig jaar geleden. Als mijn trucje een à twee boeken duurt, ben ik zodanig verveeld van mezelf dat ik iets nieuws moet vinden.”
Je hoeft dus ook niet te zien: ha, een typische Carl de Keyzer.
“Er zijn er wel die het herkennen. Als je mijn foto’s lostrekt uit hun project en ze naast elkaar hangt, zoals ooit op een retrospectief gebeurde, wordt het een zooitje, begrijp je die individuele aanpak niet meer. Nieuwe technieken gebruik ik louter om de pure werkelijkheid per project dikker in de verf te zetten. Als ondersteuning voor de kijker: voilà, zo kun je makkelijker instappen.”
Maar u wilt natuurlijk ook gewoon vaktechnisch experimenteren.
“Technisch ben ik zeer onderlegd. Ik heb vanaf mijn twintigste altijd alles zelf gedaan, tot en met het inlijsten van mijn werk. Ik ben zo perfectionistisch dat ik niemand vertrouw, nooit degelijk met een lab heb kunnen samenwerken. Daardoor heb ik ook een groter palet. Dat ambachtelijke bewonder ik ook zo in de oudere schilders. Dat ze niet met één bepaalde kwast hun hele leven hetzelfde schilderij opbrengen. Er zijn teveel mensen die op één trucje doorgaan omdat het hen te lang duurt een ander trucje te vinden.”
Dit nummer gaat over documentaire fotografie. Dat komt in u samen.
“Ik ben geen reportagefotograaf, ik haat journalistiek. Ik ben geen – nou ja, ik ben wél kunstenaar, maar ik hanteer de term niet. Documentair fotograaf is de mooiste titel.”
En wat is dan het verschil met reportagefotograaf? Beledig ik u als ik God Inc. en Zona als reportages zie?
“Neu neu. Maar een reportagefotograaf probeert toch meer een verhaal met een begin, midden en eind op te bouwen voor de media. In principe zit bij mij telkens het hele verhaal in elke foto. Als je er één of twee uithaalt, moeten die alles vertellen wat ik erover te vertellen heb. Een documentair fotograaf geeft pure realiteit weer zonder poespas. Zo gebruik ik al dertig jaar maar één lens, een 65 millimeter op een 6×7-camera, die hetzelfde ziet als het blote oog. Dat is mij voldoende. Niks zoomen of groothoek.”
Dat is voor u een overtuiging, een filosofie.
“Nee, het is puur functioneel, alweer. Eén lens gebruiken is handig; dan hoef ik geen andere lenzen op te steken. Met verschillende perspectieven, brandpuntsafstanden, werken vind ik veel te ingewikkeld. Licht: altijd hetzelfde. Op die Mamiya zet ik mijn scherpstelling ook altijd vast. Alles op F16. Dan heb ik alles scherp, van voor tot achter, dus hoef ik daar mijn kop niet over te breken als ik bezig ben met kijken. Het is gewoon, voilà, je komt op een plek, je ziet mensen, er gebeurt iets, en dat neem je mee terug naar huis.”
En moeten de gefotografeerden wel of niet weten dat u aan het werk bent?
“Da’s een spel. Ik ensceneer nooit, maar ik moet zo met mensen kunnen spelen dat ik dat beeld mee kan nemen. Dat goed beheersen, dichtbij gaan of onzichtbaar blijven, is mijn gave. In termen van privacy ga ik wel eens te ver. Zo kwam je in die gevangenkampen in cellen van mensen die het recht niet hadden te weigeren. Maar het gaat steeds om functionaliteit.”