terug

De grenzen van Joop van Tellingen

Verwensingen als paria, rat en tuig slaat hij in de wind: paparazzo Joop van Tellingen is een roofdier, altijd op jacht naar compromitterende foto’s van bekende Nederlanders. Dat is afzien, zowel emotioneel als rationeel. Maar de trots, die overheerst.
Diverse keren veert Joop van Tellingen tijdens het gesprek op vanuit zijn bank om met een grote grijns zijn ‘pronkstukken’ te tonen. Martijn Krabbé, Bram Moszkowicz en Eva Jinek: het is slechts een minimale selectie van degenen die ten prooi zijn gevallen aan zijn lens. Van Tellingen zijn grijns verdwijnt als hij met een serieuze, weemoedige blik vertelt over de keerzijden van het paparazzobestaan.
“Wachten is het grootste aspect aan ons werk. Niks vervelender dan dat en zonde van je tijd. Soms lig ik twee weken voor iemands deur.”

Je ligt daar voor die deur, puur voor die ene foto. Voel je je dan niet heel klein, gedegradeerd?

“Natuurlijk. Ik heb dan al honderdmiljoen scenario’s doorlopen. Zal ik aanbellen? Waarom krijg ik geen bakje koffie? Ze wéten dat ik er zit. Waarom komt er nou niet even iemand naar buiten, dan kan ik tenminste opsodemieteren. In de loop der jaren leer je de mensen wat beter kennen en heb je hun nummer. Dan bel je op: ‘Doe me een lol, kom even naar buiten. Gooi even een zakje vuil in de vuilnisbak, alsjeblieft’.”

En dan heb jij een foto van een BN’er die een vuilniszak weggooit. Zorgt dat voor een gebalde vuist?

“Ja: yes, hebbes! Weet je wel? Daar verzin je dan een verhaaltje bij, want hoe meer roddel en achterklap, hoe beter. Een roddel moet je ook nooit willen checken. Als je dat doet, is het geen roddel meer. Dan is de charme ervan af en gaat de romantiek van de roddel verloren.”

Eigenlijk denk je dus puur en alleen aan de oplage, aan de verkoop.

“Dat is het belangrijkst. Wij maken de roddelbladen voor fans. Onze lezers zitten niet te wachten op een moordpartij. Ze willen alles weten van hun idolen. Scheidingen, nieuwe liefdes, de dood; noem maar op. Zo is laatst Dries Roelvink getrouwd. Wij erop af. Eén groot feest. Maar eigenlijk is die man zo onbetrouwbaar als wat. En als ik iets verschrikkelijk haat, dan zijn het onbetrouwbare mensen.”

Maar Joop, ben jij zelf wel te vertrouwen?

“Ik ben absoluut niet te vertrouwen.”

Hoe moet ik dat dan met elkaar rijmen? Leg eens uit.

“Dat is heel moeilijk. Er worden vaak dingen met mij gedeeld die ik niet mag doorvertellen. Ik twijfel altijd. De ene keer hoor ik iets en denk ik: val maar lekker dood, ik zeg het toch. De andere keer houd ik het wel voor me.”

Een voorbeeld?

“Ik hoor elke dag geruchten waarvan ik niet weet wat ik ermee aan moet. Laatst ook iemand, die zei: ‘Joop, ik heb gehoord dat René Froger prostaatkanker heeft. Maar niet doorvertellen, hè!'”

Met als gevolg een flinke rationele worsteling?

“In zulke gevallen leg ik het bij mijn hoofdredacteur neer, dan ben ik het probleem kwijt. Hij belt op zijn beurt de manager van René Froger en voor je het weet, is er een persconferentie georganiseerd. Weg scoop. Het was míjn tip, míjn verhaal. Ik mag er niet over praten, maar het staat een dag later wel paginagroot in De Telegraaf. Daar zakt mijn broek van af.”

De beste krachten in de roddeljournalistiek zijn diegenen zonder geweten?

“Dat klopt deels. Het lijkt alsof er geen gevoel in zit, maar elke vorm van journalistiek heeft zijn grenzen. De commercialiteit en concurrentie in de roddeljournalistiek zijn echter zo groot, dat je per se die primeur te pakken wilt hebben. Noem het een wat ranzige vorm van journalistiek. Denk aan begrafenissen. De pijlers van de bladen zijn toch humor, verdriet en vreugde. De dood hoort daarbij. Ik ken een BN’er die wordt begraven vaak beter dan andere aanwezigen op de begrafenis. Ik begrijp niet dat veel bekenden in stilte worden begraven. Die artiesten hebben gelééfd, alles in het werk gesteld om maar op televisie te komen, en dan worden ze in stilte de grond of een oven in geduwd?”

En daar heb jij geen boodschap aan: je schiet zonder pardon die foto’s?

“In feite heb ik daar geen boodschap aan, nee. Let wel: ik voel zo’n overlijden harder aankomen dan wie dan ook. Degenen die daar op de crematie rondlopen, kennen de overledene misschien een paar jaar. Ik soms al 42 jaar.”

Dat lijkt me een drogreden. Familie is toch onherroepelijk verbonden aan de persoon die wordt begraven?

“Familie wel. Maar meestal is daar nooit zo gek veel familie bij. Degenen die de grootste bek tegen je hebben, zijn vaak de gasten die eromheen lopen.”

Is het dan aan jou om te bepalen dat jij meer gevoelens hebt bij de overleden persoon dan degenen die ernaast lopen?

“Ja, ab-so-luut. Omdat ik weet hoe zo’n persoon geleefd heeft, hoe diegene dacht. Ik weet dat hij of zij het schitterend zou hebben gevonden als er een ongelooflijke hoeveelheid bekende mensen aan zijn graf zouden staan.”

Wanneer ben je te ver gegaan?

“Met de begrafenis van Gerard Fagel, een restauranthouder. Hij werd in 1989 in zijn bed doodgeschoten, terwijl zijn vriendin naast hem lag. Tijdens de begrafenis werd aan ons gevraagd te stoppen met fotograferen. Maar ik bleef natuurlijk weer hangen. Er gaat nog wat gebeuren, dacht ik. En inderdaad. Zijn vriendin valt op haar knieën ter aarde, grijpt de kist vast en schreeuwt vol emotie een aantal keer Gerards naam. Het waren heel dramatische foto’s en ik was de enige die de foto’s had.”

Dat was niet de afspraak.

Lachend: “Nee, maar wél een mooie foto.”

En die heb je gewoon geplaatst?

“Ja. Hij stond over twee pagina’s in de Privé. Heel mooi.”

Ben je je ervan bewust dat je mensen daarmee kwetst?

“Daar ben ik me heel erg van bewust, maar ik voel het niet. Eigenlijk had ik het niet moeten doen. Je bent als roddelfotograaf altijd een gespleten persoonlijkheid, leeft altijd op of over de grens. Aan de ene kant heb ik zielsveel medelijden met die mensen en aan de andere kant laat ik ze mooi niet met rust. Ik vind de waarde van een mooie foto simpelweg belangrijker dan het feit dat ik het eigenlijk niet had mogen doen.”

Hoe streng ben jij voor jezelf?

“Niet heel erg. Ik wil die ene foto hebben voordat Jantje, Pietje of Klaasje hem maakt, daarin ben ik streng voor mezelf. Puur egoïsme. Die ene adrenalinestoot, daar is het om te doen.”

Ben je daaraan verslaafd?

“Het is meer dat ik verslaafd ben aan succes. Als ik op het knopje van mijn camera druk, maakt zich een bepaald stofje van me meester. Ik voel een enorme euforie als ik mijn foto’s in het blad afgedrukt zie. Vergelijk het met een jager op groot wild die na dagen zonder succes eindelijk zijn prooi voor zich ziet. Je legt aan en ‘schiet’. Tsjik tsjik tsjik. De kick die je dan krijgt, is fantastisch.”

In hoeverre bepaalt jouw werk je mate van geluk?

“Het brengt me zoveel vreugde. Door hard te werken dwing ik het geluk af. Werk staat bij mij absoluut op nummer één.”

Je camera is eigenlijk je vriendinnetje.

“Inderdaad. Je zult mij nooit zonder camera zien. Overal waar ik kom, heb ik mijn camera bij me. Je weet nooit wie je tegenkomt. Ook al ga ik op vakantie of naar de kapper: die camera gaat mee. Het wordt wel steeds moeilijker. De artiesten zijn tegenwoordig slimmer, maar onze telelenzen zijn ook langer.”

Wat te doen als je van de ene op de andere dag je rechterarm kwijtraakt?

“Ach, schei uit. Hou op. Daar moet ik niet aan dénken. Ik zou dan liever gisteren mijn ogen gesloten hebben. Vreselijk. Als ik echt iets zou mankeren, mijn arm verliezen of wat dan ook, dan zou ik liever dood zijn. Daar ben ik van overtuigd.”

Kun je dan duiden wat de zin van jouw leven is?

“Wat ik altijd voor ogen heb gehad, is een populaire, bekende fotograaf te zijn. Als iemand het over een fotograaf heeft, wil ik dat ze over mij praten. Goed of slecht, dat doet er niet toe: als ze maar over me lullen.”

Wat is het waard een bekende fotograaf te zijn?

“Ik heb het gevoel iets gepresteerd te hebben in mijn leven. Zoals Henk van der Meyden (oprichter roddelblad Privé, red.) een gevestigde naam is in de roddeljournalistiek, zo heb ik het gepresteerd een van Nederlands bekendste gossipfotografen te worden. En daar verdien ik ook aardig mee: in een topmaand 45.000 euro, bruto.”

We hoeven dus geen medelijden met je te hebben.

“Ho ho, ik werk er keihard voor, ben de hele week in touw. Maar wat zie ik elke week in de bladen? Foto’s van amateurfotografen! In de PC Hooftstraat maken kleine jongetjes BN’ers het leven zuur.
Even snel een goedkoop cameraatje kopen, paar foto’s schieten, die verkopen aan de bladen en hup, weer een zakcentje verdiend. Voor hen is het een bijbaantje – zij zijn al snel tevreden met een paar tientjes – maar voor mij verpesten ze de markt. Kwaliteit is steeds minder van belang.”

Vast staat dat jij, net als die jongetjes, veel foto’s hebt gemaakt van mensen die dat liever niet hadden. Heb jij dan niet het gevoel dat jij je levensdoel hebt bereikt over de rug van andere mensen?

“Daar ben ik van overtuigd. Honderd procent. Zo heb ik Prins Claus heel lang gevolgd toen hij manisch depressief was en werd opgenomen in een kliniek in Basel. Ik heb al het verdriet van de Koningin en Claus meegemaakt, gefotografeerd. Daar zaten ook foto’s bij die eigenlijk niet konden.”

Je zou er zelf maar liggen.

“Nou, een jaar geleden werd er een agressieve vorm van blaaskanker bij mij geconstateerd. Ze gaven me nog negen maanden. Lag ik daar ineens, in een wit ziekenhuiskamertje waar nieuws binnenkomt via de televisie. Zelf kon ik niets. Helemaal niets. Je ligt daar op dat ziekenhuisbed, de wereld draait door, maar jouw wereld houdt in principe op. Je stelt niets meer voor. De angst die ik had wanneer de dokter zijn dagelijkse ronde maakte… De wereld werd even heel klein.”

Nu ben je beter. Je leeft nog. Wat heb je van die tijd geleerd?

“Uiteindelijk kom je het ziekenhuis uit en je doet precies hetzelfde als voorheen. Het slechte dat je is overkomen, vergeet je, je stopt het weg. Als mensen vragen hoe het met me gaat, is het antwoord altijd: ‘Ja, toppie, super hoor!’ Ze weten niet dat als jij op een feest breeduit lacht, je van binnen eigenlijk heel veel verdriet hebt. In mijn rol als BN’er ziet niemand de echte Joop. Het is puur en alleen de buitenkant. Voor mij blijft het altijd als een litteken op mijn ziel kleven.”

Hoe dun is voor jou de scheidslijn tussen je roem en je privéleven?

“BN’ers denken bij mij altijd dat ik iets van ze nodig heb. Als ik iemand aanspreek, meen ik het heel goed. Echt. Belangstelling van mens tot mens. Maar ze denken altijd dat je iets van ze nodig hebt.”

Is dat gek?

“Nee, dat is niet gek en natuurlijk heb ik dat aan mezelf te danken. Maar het komt op mij wel gek over. Bij ons vak is dat echt heel moeilijk. En daarbij, ik ben een weegschaal, dus ik ben van nature al helemaal uit balans. Altijd die twijfel. Geloof mij: we menen het echt niet zo slecht.”
www.fotovantellingen.nl