terug

Column – De ethiek van de nabijheid

Ton Hendriks
Ton Hendriks

Onlangs dook op de Facebook-pagina van een van mijn fotovrienden een link op over de morele neergang van de Franse Magnum fotograaf Jerome Sessini. Hij fotografeerde na de ramp van MH17 een lijk dat dwars door het dak van een boerderij rondom het rampgebied was neergeploft in een keuken en lichamen die met vliegtuigstoel en al in het korenveld terecht waren gekomen. Geen prettige beelden om te zien, maar wel weergaven van een internationale ramp. Meteen doemt de vraag op: mag je (uit piëteit voor de nabestaanden) lichamen van overledenen laten zien en is het wel nodig om die te tonen om een ramp in beeld te brengen? Volgens de auteur van de blog, Reto Camenisch, hebben de foto’s van Sessini een ‘vulgaire en pornografische nabijheid.’ Volgens hem zijn ze alleen maar bedoeld om de voyeur in ons te bevredigen. En volgens de blogger heeft dat te maken met de grote concurrentiestrijd tussen de grote media om nog geld te verdienen aan nieuwsfotografie. Volgens Camenisch zouden Robert Capa en Henri Cartier-Bresson zich in hun graf omdraaien.
Maar wacht even. Was het niet juist Capa die zei dat we zo dichtbij mogelijk moesten komen? En had hij ook niet een stervende soldaat (wel of niet in scène gezet) gefotografeerd? En herinner ik me niet een dode soldaat liggend bij een brug (tijdens de Tweede Wereldoorlog) van meneer Cartier-Bresson? En is het niet makkelijk praten over zwart-wit fotografen, waar bloed niet zo ‘grafisch’ (zoals dat heet) wordt weergegeven? Wat is eigenlijk de achtergrond van de ethiek van de nabijheid? Wanneer mag je wel en wanneer niet nabij het slachtoffer komen met je lens?
Ik sprak met de adjunct-hoofdredacteur Johan Groeneveld van het ANP Photo die aangaf dat zijn organisatie stringente grenzen stelt aan hun fotobeleid. “We zullen zeker geen lichamen en lichaamsdelen publiceren op de plek waar de ramp is gebeurd. Voor hier in Nederland geldt dat wij geen nabestaanden in hun leed herkenbaar in beeld brengen.” Fotograaf Pierre Crom die voor hen in het rampgebied werkt houdt zich dan ook aan deze eisen en fotografeert hooguit een knuffelbeest naast een vliegtuigstoel.
Dit ethische beleid wordt ook gehanteerd door zowel de NOS als de commerciële omroepen zoals RTL. Op televisie werden de nabestaanden die stonden te wachten op Eindhoven Airport niet in beeld gebracht. Dit werd meerdere malen door de verslaggevers gemeld met een stem waarin waardigheid en medeleven doorklonk. Maar als ik op hetzelfde ANP kijk bij de andere grote brandhaard van dit moment, de Gazastrook, dan zie ik van de fotograaf Bilal Telawi een beeld van een half ontblote, met bloed besmeurde gewonde man met zijn kindje zittend op de stoep. En aan de andere kant van het conflict, in Jeruzalem zie ik ook rouwende nabestaanden bij een overledene duidelijk en herkenbar in beeld. Het ANP is niet de enige die dit doet. Ook op dezelfde televisieomroepen zien we beelden van lijken en overlevenden uit het Gaza-conflict.
Dit is de ethiek van de nabijheid. Blijkbaar is niet de nabijheid tot het slachtoffer het enige argument dat meespeelt, maar ook de nabijheid in ras, nationaliteit en culturele identificatie met de afgebeelde personen die een rol spelen. Hoe nabijer het slachtoffer en de ramp, hoe verder weg de lens moet blijven en omgekeerd hoe verder weg de tragedie hoe nabijer de lens mag komen.
Dit uitgangspunt is alom tegenwoordig en blijkbaar gesanctioneerd door de grote instanties. Wie herinnert zich niet de World Press Photo uit 2012 van de Zweedse fotograaf Paul Hansen waarop we rouwende ooms in de Gazastook zien die met kinderlijkjes door een smalle steeg liepen? Waar ging de ethische kwestie toen over? Of het prachtige, bijna hemelse licht wellicht met Photoshop was aangebracht. Maar niemand bekommerde zich om het feit dat we nabestaanden herkenbaar in beeld zagen. Nu kun je natuurlijk zeggen dat de rouwende stoet er baat bij had dat de wereld kennis kreeg van het onrecht dat hun is aangedaan. Maar ik geloof niet dat de fotograaf met hen hier over een uitgebreid gesprek heeft gehad. En misschien zijn er nabestaanden van de MH17-ramp die ook baat hebben bij het tonen van hun emoties.
Dit is niet het enige voorbeeld. Veel winnende foto’s van de World Press hebben slachtoffers en nabestaanden in beeld. En wel meestal uit landen ver van ons bed. In 1994 was het een foto van een slachtoffer van de genocide in Rwanda, in 1997 huilende vrouwen in Algerije, nabestaanden van moordpartijen. In 1985 een meisje dat bijna dood wegzinkt in de modder in Colombia. In 2004 een huilende vrouw in India die rouwt om haar dode familie na de tsunami. In 2011 de foto van het Afghaanse meisje met afgesneden neus. Nee, ik geloof niet dat er op grote schaal de nabestaanden en slachtoffers gespaard worden, maar opvallend is wel dat het altijd om slachtoffers gaat die in gebieden wonen ver van de media, die het publiceren.
In het algemeen geldt natuurlijk dat fotografie de mogelijkheid heeft om visuele en daarmee emotionele impact te geven aan een nieuwsverhaal. De media willen hun publiek bereiken en vertellen wat er zich afspeelt in de wereld. Een ‘grafische’ foto ontroert sneller en gooit de feiten zonder omhaal op tafel. Deze impuls leidt al gauw tot het tonen van slachtoffers en nabestaanden, niet geheel ten onrechte, want zij worden aangedaan door de nieuwsgebeurtenis. Maar tevens problematisch, omdat het de privacy van slachtoffers kan schaden.
Professor Paul Martin Lester heeft een aantal boeken geschreven over ethiek in de fotojournalistiek. In zijn boek ‘Visual Communication and an Ethic for Images’ heeft hij de regel van het Gouden Midden geformuleerd: Als er een mindere aanstootgevende foto is om het verhaal te vertellen dan is dat een betere keuze. De vraag is of dit in de praktijk alleen blijkt te gelden voor ‘nabije’ catastrofes, volgens de ethiek van de nabijheid. Ik zag op televisie een door het Ebola-virus getroffen stervende vrouw in Liberia. Ze lag totaal uitgeput op haar houten bed in een schamele hut. De commentaarstem vertelde dat ze het niet zou redden. Zou dit ook met een mevrouw in Nederland kunnen gebeuren? Volgens de officiële ethische regels van de journalistiek niet. Een bevriende fotojournalist, Bud Wichers, postte onlangs een paar gruwelijke foto’s van gewonde kinderen in de Gazastrook op Facebook en de algemene reacties waren positief. “Thanks for telling the story. Goed om dit aan de wereld te laten zien,” schrijft iemand. Niemand stelt de vraag of het tonen van de beelden ethisch verantwoord is. Als dit Nederlandse kinderen waren geweest in een Nederlandse tragedie, zouden we dan volgens onze ethische regels die beelden mogen zien?
De ethiek die de nabijheid van de lens tot de slachtoffers reguleert, is gebonden aan de nabijheid die het slachtoffer heeft tot het kijkende publiek. Onze buurvrouw zien we niet graag als lijk in de krant en onze zwaar gewonde buurkinderen houden we graag buiten beeld. Maar bij het leed dat ver van ons geleden wordt, is de nieuwswaarde blijkbaar groter dan de piëteit voor de slachtoffers.
 
PS Na het schrijven vroeg ik Paul Lester om commentaar over deze kwestie. Dit mailde hij me als antwoord: “As tough as it is for viewers, family, and friends, victims should be photographed to show the brutality of such an act. That’s the job of a photojournalist—to make images available to the public. As long as that role-related responsibility is met and any harm can be justified, the publishing of such images can be considered ethical.
You are correct to assume that local stories are more upsetting than foreign ones. I wrote a book in 1990, “Photojournalism An Ethical Approach.”
dr. paul martin lester, professor, department of communications, editor, journalism & communication monographs